gototopgototop

IJsland (2013)

Rudi en ik fietsen in de zomer van 2013 voor de derde keer op IJsland. Onze route voert ditmaal over de F210/208 (Fjallabaksvegur) naar Skaelingar en Landmannalaugar, over de F910 naar Askja en Snaefell en over de F206/207 naar Lakagigar. Van Egilsstadir tot Reykjavík nemen we de bus. We leggen in drie weken tijd duizend kilometer af.

Dag 1: Vliegtuig IJsland & Kevlavík > Hafnarfjördur (43 km)

Alweer gaan we naar IJsland: het land van regen, wind, vulkanen, lava, mos, en oneindig veel stenen. Voor fietsers die van onverharde wegen en afwisseling van natuur houden is dit toch wel het mekka. Vanaf de luchthaven gaan we eerst naar Alex in Kevlavík om onze zak met fietshoezen en fietsbeschermingsspul te droppen en alvast de camping voor de laatste nacht te reserveren. Het blijkt dat ze de camping hebben opgeheven, dus boeken we maar een hut.

De saaie tocht over de [41] verloopt voorspoedig. Het is prima fietsweer: 20 °C en er staat nauwelijks wind. Alleen zijn de fietsen niet helemaal in vorm: mijn te wijde achterband is een ei en Rudi heeft zijn Brooks zadel zo vaak opgerekt dat de stelschroef loslaat. We zetten onze tent op bij de prima camping van Hafnarfjordür. We bestellen bij de KFC een Giant Bucket die ze maar voor de helft met kipsnacks vullen – stelletje oplichters!

Dag 2: Hafnarfjördur > Hella (102 km)

Het zadel van Rudi heeft prioriteit. Speurwerk op internet leert dat er op zondag maar een paar sportzaken in Reykjavík open zijn, en pas om 13.00 uur. Gelukkig vinden we bij een mall een winkel met geschikte zadels in het assortiment. We hebben dan al enorm veel boodschappen gedaan: genoeg voor bijna twee weken in de binnenlanden waar geen supermarkten zijn. De nieuwe Ortieb dry bags blijken een perfecte aankoop.

De [1] naar het oosten is als vanouds megasaai. Het is druk en er wordt hard gereden, al houdt men wel goed afstand. Waarom fietsen we hier dan toch weer? En het gaat ook nog regenen. We zijn blij als we om 21.00 uur in Hella aankomen. Op de grote camping ontmoeten we Miha, een rondom IJsland fietsende Sloveen die enthousiast allerlei technologiemerken uit zijn land noemt en verwacht dat wij die kennen.

Dag 3: Hella > Launfitjarsandur (66 km)

Vanuit Hella gaan we nog een paar kilometer over de [264] voordat we bij de onverharde [F210] aankomen. We rijden al snel door lavavelden van de Skógshraunvlakte, heel geleidelijk klimmend naar de kleine maar opvallende vulkaankegel Hafrafell. Daarna wordt het landschap opeens een stuk gevarieerder.

Nog mooier wordt het zowaar richting de Laufafell, een vallei met aan weerszijden mooie met groen mos bedekte heuvels. Af en toe vangen we een glimp op van de imposante Tindfjallajökull. De hele tijd houden we de Eystri-Ranga rivier aan onze rechterzijde. De weg is inmiddels goed te doen; soms halen we meer dan 20 km per uur.

Bij de 1.164 m hoge Laufafell is de waterscheiding: links lonkt het naar verluidt uniek gelegen Reykjadalir, maar wij gaan rechtsaf. Meteen openbaart zich een prachtige vallei, echt een van de mooiste plekken van IJsland! We steken een meanderend beekje meerdere malen eenvoudig over voordat we afdalen naar de brede vallei Launfit. De stroming van de rivier Markarfljót is helaas te sterk. Morgenvroeg nog maar eens proberen.

Dag 4: Launfitjarsandur > Skaftárdalur (80 km)

De Markarfljót is ’s ochtends nog niet op volle kracht dus kunnen we veilig oversteken. Wel moeten de fietstassen apart over. We klimmen naar de volgende vallei. We hebben prachtige uitzichten op een werkelijk sprookjesachtig landschap, met name richting Faxi en Totfatindar in het zuidwesten. In het noordoosten moet ergens achter de besneeuwde toppen Landmannalaugar liggen. Het hele gebied tot aan Hvangill is supermooi!

Na de loopbrug over een rivier komen we bij de aansluiting met de [F261]. De Stórasúla staat er stoer bij. We vervolgen net als twee jaar geleden de [F210] over de Maelfellsandur-vlakte. Een man met een schattig hondje in een stuurmand fietst ons met grote snelheid over de jeep track tegemoet, ik ben te verbouwereerd om een foto te maken. Met een briesje in de rug gaat deze track door het lavazand opvallend makkelijk. Alleen groeit dat lieve wolkje achter ons uit tot een gigantische donderwolk die ons langzaam opslokt…

Vlak voor de markante heuvel Maelifell voelen we de eerste spatjes. Binnen enkele tellen gaat het enorm hozen, binnen enkele minuten is de temperatuur tien graden gedaald. We maken een bocht naar links en naar vlakte waarop lavazand en vele kleine stroompjes elkaar afwisselen. Een kudde paarden met enkele ruiters komt ons met grote snelheid tegemoet. Een gaaf gezicht om ze in dit weer zo met hun aparte tred in actie te zien; wel jammer dat ze de jeep track aan gort hebben gelopen, het fietst echt klote zo.

Verderop blijkt de Hólmsá lastig te overwinnen. De stroming is weliswaar matig, maar de rivier is vandaag behoorlijk diep, waarschijnlijk door de combinatie hoge temperatuur/regen/middag. Vlak bij ons einddoel Skaftádalur rijd ik hard op een geul in het wegdek: mijn eerste lekke band ooit tijdens een fietsvakantie. We kamperen aan de oever van de Skaftá, een van IJsland’s grootste rivieren, met machtige stroomversnellingen vlak voor onze neus.

Dag 5: Skaftárdalur > Skaelingar (39 km)

De dik 20 km over de [F208] zijn eenvoudig: prima wegdek met maar weinig losse keien en geen rivierdoorsteken. Af en toe een steile klim tot 18%. Ik heb last van mijn onderrug en doe rustig aan. Dit eerste deel van de weg naar Landmannalaugar is vrij saai, al zijn we blij dat we überhaupt íets kunnen zien – heel anders dan twee jaar geleden. De weg wordt eigenlijk pas mooi vanaf de afslag naar de [F223] waar we een lus naar het noordoosten gaan fietsen.

Na een dubbele riviersteek gaat de weg flink steil omhoog de hele heuvel Eldgja op, naar een uitzichtpunt waar je een canyon en de waterval Ofaerufoss kunt zien. We pakken de jeep track naar Skaelingar en dalen weer helemaal af naar de Skaftá. Van de rivier zien we niet zoveel als de landkaart belooft. Na de zoveelste beklimming over losse stenen zien we in de verte eindelijk de hut en camping van Skaelingar. Dit is een mooie en rustige plek.

Dag 6: Skaelingar > Landmannalaugar (54 km)

Direct vanaf de camping stijgen we meer dan 300 meter over een erg steile weg. Het is onmogelijk om hier zonder duwen boven te komen. Het 180 graden uitzicht is fraai. Bovenop de heuvel fietsen we door een grappige ‘lavakloof’ en dalen we langzaam af naar Blautulón. Door het zonnige weer steekt het diepblauwe meer scherp af tegen de frisgroene heuvels. De jeep track gaat hier dwars door het ondiepe deel van het meer, maar wij lopen er gewoon langs.

Via de eenvoudig te befietsen [F235] komen we al snel weer terug op de [F208] en gaan we richting Landmannalaugar. Vooral het stuk tussen de heuvels Graenafjall en Tindafjall is bijzonder mooi. Twee jaar geleden was dit een lastige etappe, met de hele dag regen, kou en af en toe een lastige rivierdoorsteek. De hellingen zijn vandaag natuurlijk nog steeds even steil en lang, maar het weer is prima en ik hoef maar bij één rivier de Sealskinz sokken uit te doen.

Dag 7: Landmannalaugar > Hrauneyjafoss (41 km)

Voor de derde maal in Landmannalaugar. Ik vind de camping nog steeds een drukke, ongezellige zooi. Veel backpackers die de beroemde trail ‘doen’ en veel dagjesmensen die in grote bussen worden aangevoerd. Toegegeven: het is hier dan ook wel erg mooi. Ik doe een wasje en doe een fietscheck, terwijl Rudi een lavaveld induikt.

We fietsen noordwaarts over een superirritante wasbordweg met veel los zand. Het gaat steeds harder waaien. Dichtbij het meer Hrauneyjarlón is het zelfs lastig om overeind te blijven. Dat zijn van die momenten waarop je denkt: “Echt tof, IJsland.” We zijn opgelucht als we bij onze ‘vaste’ wildkampeerstek achter de boompjes bij de Hrauneyjafoss aankomen. Bij de guesthouse gaat de lekkerste hamburger van IJsland er goed in.

Dag 8: Rustdag Hrauneyjafoss

Het plan is om de Sprengisandur te fietsen, maar het waait keihard vanuit het noordoosten. We weten uit ervaring – twee jaar geleden kwamen we door de wind vast te zitten op de [F26] – dat nu fietsen geen enkele zin heeft. Het liefst pakken we meteen de bus – het is toch een eentonige weg – maar die gaat morgen pas weer. Dan maar een rustdag in de tent en hopen dat het weer morgen omslaat.

Dag 9: Hrauneyjafoss > Nýidalur (bus) & Nýidalur > Langadrag (26 km)

Het is nóg harder gaan waaien. De vlaggenstok bij het benzinestation buigt helemaal door. We pakken definitief de bus. Met lichte tegenzin doen we de fietsen achterop op de bus. We doen isolatiefoam tussen de bovenbuizen en de haken om te voorkomen dat de lak er afslijt. Bij het verlaten benzinestation halverwege komt een fietser in de bus die daar vast is komen te zitten door de storm – net als wij twee jaar geleden.

De bonkige rit naar Nyídalur duurt drie uur en is slaapverwekkend. Daar aangekomen is het nog maar 6 °C. De [F910] – ook wel bekend als ‘the road to Askja’ of ‘Iceland’s worst road’ – blijkt pas gisteren (7 augustus!) officieel opengesteld. De warden kan ons niet informeren over de status van de route. Gelijk bij de camping een rivierdoorsteek en 5 km verderop nog een. Beide keren kniediep, koude voeten dus. Het is inmiddels 3 °C.

Dan de afslag naar Askja. We vragen aan een passerende ranger om informatie over water langs de route, maar hij kan ons niet helpen. De wegkwaliteit is aan het begin nog prima, maar wordt gaandeweg toch wel vrij slecht. Na nog een paar rivierdoorsteken vinden we een mooie kampeerplek aan de rivier Langadrag. In de tent is het maar net boven het vriespunt. ’s Nachts begint het lichtjes te sneeuwen.

Dag 10: Langadrag > Fjallsendi (54 km)

We weten niet zeker of de beekjes die op onze landkaart staan er daadwerkelijk zijn. En volgens diezelfde kaart zullen we na een kilometer of 40 lange tijd geen water meer tegenkomen. Rudi krijgt de Ortlieb waterbuidel met zo’n 6 liter water achterop. (Voor niks blijkt later, want we komen vandaag talloze beekjes en meertjes tegen. Wat een rukranger dat hij ons dat niet kon vertellen!)

We bereiken al snel de rivier Skjálfandafljot waar een brug de steile oevers verbindt. We nemen de officiële noordroute van de [F910] en niet de zuidelijke variant na een waarschuwing voor drijfzand. Jammer genoeg zien we door de laaghangende bewolking niet veel van de omgeving. Zo is de 1.460 m hoge vulkaankegel Trölladyngja, waar we toch de hele dag omheen fietsen, volkomen onzichtbaar.

De weg voert ons door steen- en lavavelden. Er is meer variatie dan de kaart doet vermoeden. Vooral bij Efribotnar is het leuk fietsen: een redelijk goede weg kriskras door hoge lava. In de buurt van de berg Thrihyrningur zien we wonderlijke lavastructuren: klodderlava met allerlei rimpelingen. Na lang zwoegen vinden we een perfecte kampeerplek op de parkeerplaats bij de markante rotsen van de steile Fjallsendi.

Dag 11: Fjallsendi > Askja (45 km)

Vannacht vroor het weer licht. De kou kwam dwars door het grondzeil, tentzeil en matrasje door. Met het donsjasje in de slaapzak hield ik het warm. Weer ligt er een beetje sneeuw als we wakker worden. Gelukkig loopt de temperatuur al snel op naar 6 °C. Ook zien we vandaag veel meer: af en toe een glimp van de ijskap in het zuiden, de Trölladyngja in de zon en de machtige bergen van Askja. Een mooie route met weidse uitzichten!

Het eerste stuk tot waar de zuidroute zich bij de [F910] voegt is eenvoudig, maar op het stuk tot aan de Holuhraunvlakte komen we veel mul zand tegen. Na een kort stukje ‘normale’ weg volgen 15 km mul zand. Met veel moeite fietsen we naast we weg: een prima training. Ook de laatste 6 km tot aan Dreki - de hut en camping – zijn barslecht: erg rotsachtig met veel losse keien. Net als elders wemelt het hier van de Fransen, Spanjaarden, Italianen, Duitsers en Russen.

Dag 12: Askja > Kreppa (54 km)

Vandaag gaan we Askja op. Dik 8 km omhoog over een prima weg en zonder bagage. Onderweg hebben we een prachtig uitzicht op ‘king’ Snaefell in het oosten en ‘queen’ Herdubreid in het noordoosten. Bovenaan parkeren we de fietsen en wandelen we naar het kratermeer. Askja is echt indrukwekkend. De prehistorische kraterring is maar liefst 50 km2 groot. Het hoogste punt Thorvaldstindur (1.510 m) rijst zeer steil op boven het meer Öskjuvatn.

Ik dacht altijd dat Askja een traditioneel gevormde vulkaankegel was, maar dat blijkt niet het geval. Er zit een flinke magmakamer onder de bergen en die stort af en toe in. Als gevolg van de uitbarstingen ontstonden het grote meer Öskjuvatn en het kleine, warme kratermeer Vítí. De laatste echt grote uitbarsting was in 1875, toen de vulkaan in Oost-IJsland dood en verderf veroorzaakte. Een deel van de bevolking was het zat en vertrok naar het buitenland.

We glibberen over een steil sneeuwveld omlaag naar het kratermeertje Vítí. Hoog boven op de kraterrand kijken mensen toe terwijl we als enigen in het water glijden. Maar ho es even: het water is helemaal niet heet. We moeten het doen met lauw water van 22 °C. Desondanks is het een bijzondere ervaring. Je moet hier trouwens vroeg zijn – rond het middaguur is het één lange karavaan van dagjesmensen die met bussen vanuit Mývatn worden aangevoerd.

We gaan weer oostwaarts. De prima gravel road verandert na Midfell in een rotweg met mul zand (en later ook wasbord). We passeren de lichtbruine heuvel Upptyppingar (1.084 m) die eruit ziet als een gigantische drol. We stoppen iets verderop in een bizar landschap met rechtopstaande stenen ‘muren’, op een steenworp afstand van de Kreppa canyon. Met Rudi’s afritsbroek zeven we het zanderige water dat we onderweg uit een meertje hebben gehaald.

Dag 13: Kreppa > Thórisstadir (57 km)

We verlaten onze mooie kampeerplek en fietsen met de wind in de rug noordwaarts naar de brug over de Kreppa. De eerste kilometer na de brug is erg mooi. En daarna is het gedaan met de pret. Er volgen 40 km met tegenwind over een barslechte weg (los zand, 80% wasbord, erg veel losse stenen). En ondanks het zonnige weer zijn er geen mooie uitzichten in dit eentonige landschap. Dit deel van de [F910] is geen aanrader!

Op zo’n dag wil ik er wel eens helemaal doorheen zitten. Ik krijg dan last van motivatie en van mijn rug. Maar als we dan besluiten om een Beverontbijt warm te maken knap ik weer helemaal op. Opmerkelijk hoe veel beter je daarna tegen de wind en slechte weg kunt. Bij Brú gaan we het langgestrekte Hrafnkelsdalur in. We vinden tussen de met prikkeldraad afgezette weilanden een aardig kampeerplekje langs de weg.

Dag 14: Thórisstadir > Snaefell (39 km)

De weg is goed tot het benzinestation van Adalból. En dan schrikken we: de weg gaat nog net niet lijnrecht vanuit het dal de heuvel op, maar het scheelt niet veel. Het meest inspannende deel van onze IJslandvakantie dient zich aan. Dik 300 m hoogteverschil over een erg steile en erg slechte weg. Ik moet 80% van de tijd duwen, en zelfs Rudi zie ik meer lopen dan fietsen. Wat een debiel aangelegde weg, het lijkt wel Engeland!

Bovengekomen bevinden we ons in de wolkenflarden en zien we helaas weinig van de omgeving. Gelukkig is de weg op dit plateau niet meer zo hilly. Wel heb ik erg last van koude handen. Die dure waterdichte Sealskinz handschoenen blijken bij intensief gebruik in de regen namelijk niet waterdicht. Na de voorde waar de teva’s en surfschoenen aan moeten, steken we de asfaltweg over en pakken we de [F909] naar Snaefell. Deze weg is nergens echt lastig of steil.

Na nog zo’n 13 km komen we bij de hut aan. Eindelijk klaart het weer een beetje op, we kunnen zelfs de onderkant van de Snaefelll zien. We slapen in de tent, maar maken voor een paar euro per persoon extra graag gebruik van de faciliteiten van de gezellige en warme hut. Dit is echt een aanrader! Orri - warden en ranger – ontvangt ons hartelijk.

’s Avonds neemt Orri ons in zijn Landrover mee naar de Saudahnjúkar. Tijdens de wandeling naar de top vertelt hij over het stuwmeer Hálslón. De bouw van de dam (2003-2006) was controversieel. De energie leverde weliswaar duizend arbeidsplaatsen op voor de nieuwe aluminiumsmelterij van Alcoa in Reydarfjördur, maar dit ging wel ten koste van het unieke paar- en broedgebied. Nu al gaat 85% van de energieproductie naar aluminiumsmelterijen, en hoeveel extra moet er nog worden opgeofferd?

Dag 15: Rustdag Snaefell

Vandaag blijven in deze mooie omgeving. We gaan via de ‘standaardroute’ de Snaefell op. Ik houd het halverwege voor gezien bij het uitzichtpunt, maar Rudi gaat stoer op zijn fietsschoenen door de sneeuw naar de top op 1.833 m. Het is inmiddels mooi weer. We kunnen ver kijken: Asjufjöll in het zuidwesten, ‘queen’ Herdubreid in het noordwesten en Kverkjökull, Askja, de Trölladyngja en zelfs de Tungnafellsjökull in het uiterste westen: meer dan 100 km ver!
Orri wordt in de zomer bijgestaan door een hulpranger die de rest van het jaar lerares IJslands. Zij en haar zus geven ons les in IJslands. Best een mooie taal, zeker als je bedenkt dat het schrift al meer dan duizend jaar onveranderd is. IJslandse taalgeleerden verzinnen steeds pakkende woorden voor nieuwe buitenlandse woorden als koffie, banaan en computer; in de praktijk gebruikt men echter toch die buitenlandse woorden. ’s Avonds eten Orri en de dames een feestmaal – coq au vin – ter ere van de jaarlijkse Gay Pride.

Dag 16: Snaefell > Egilsstadir (94 km)

We nemen afscheid van Orri en de dames en gaan door de regen terug over de [F909]. We zijn snel bij de asfaltweg. Op papier ziet de volgende 50 km over de hoogvlakte er eenvoudig uit, maar de weg is eentonig en de wind hebben we schuin tegen. Ik krijg last van koude handen en mijn rug. Na de afdaling naar de Lagarfljöt en een Beverontbijt van 600 calorieën bij Hallormsstaduur knap ik weer op.

We zetten onze tent op bij de niet zo gezellige maar wel goed geoutilleerde camping van Egilsstadir. De winkels zijn dicht; daarom gaan we maar naar de N1. Dit is echt de place-to-be: het halve stadje is hier verzameld. Na een hamburger met friet werken we nog een pizza naar binnen. En een liter frisdrank de man. We voelen ons heel erg slecht. Als je je bedenkt dat er in de VS hele volksstammen zijn die dit dagelijks doen.

Dag 17: Egilsstadir > Höfn (bus)

We nemen de bus helemaal terug naar Reykjavík met Kirkjubaejarklaustur (“Kurkyousomething”) een tussenstop voor Laki. Twee jaar geleden zagen we door de laaghangende bewolking nauwelijks iets van de oostkust. En wat blijkt nu: de hele weg van Egilsstadir tot aan Höfn is erg mooi, en zeker het eerste stuk over de [92] naar Reydarfjordur. We zien veel trapsgewijze bergen, ontstaan door lavaerosie. Op de camping aangekomen eten we gepaneerde lamballetjes.

Dag 18: Höfn > Hunkubakkan (bus) & Hunkubakkan > Blágil (37 km)

Om 10.00 uur pakken we de bus naar het westen. We stoppen nog een uur bij het ijsmeer Jökullsárlón. Twee jaar geleden kwamen we ’s avonds in totale rust aan. Midden op de dag blijkt deze sterattractie één groot circus met megaveel bussen en huurauto’s. Idem dito voor Skaftafell waar we even later een korte stop maken. Waarom is het hier zo druk terwijl we landinwaarts op mooie plekken zo weinig mensen tegen komen?

Halverwege de middag zet de buschauffeur ons bij de afslag naar de [F206] naar Laki af. Na anderhalve dag zonneschijn gaat het uitgerekend nu weer regenen. Daardoor zien we net als twee jaar geleden nauwelijks iets van het landschap. Gelukkig is het met 8 tot 11 °C niet zo koud vandaag, en zijn we na nog geen 40 km al op onze bestemming. Met de gezellige en goed uitgeruste hut van Snaefell als referentiekader vinden we de hut en camping van Blágil maar een armoedige boel. Okay, het weer werkt ook niet echt mee.

Dag 19: Rondrit Lakagigar (44 km)

Om half vijf worden we al gewekt door de blatende schapen. Zin om op te staan hebben we voorlopig niet: het regent de hele tijd. Aan het eind van de ochtend zijn we het zat: regenpak aan en hup de mist in! We fietsen het rondje Laki [F207] met de klok mee. Na een kilometer of 15 beginnen we iets van de omgeving te zien, en na het informatiepunt halverwege het rondje klaart het zowaar op.

Rechts van ons liggen de kraters op een rij helemaal tot aan de moederkrater Laki. Links van ons zien we bemoste heuvels gelegen achter het meer Lambavatn. Vlak hierna hebben we op het meest noordwestelijke deel van de lus het meest spectaculaire uitzicht. De zon breekt voorzichtig door en schijnt prachtig op de lavavlakte Lakagigar die zich naar het noordwesten uitstrekt, met daarachter de Skaftá en de groene heuvels van Fögruufjöll die zich mooi tegen de intens donkere wolken afsteken. Een bijzonder moment.
Vervolgens rijden we naar de Laki-vulkaan. In 1783 en 1784 waren er in het hele gebied van Lakagigar, Grímsvötn en Thordarhyrna diverse uitbarstingen. Naast 14 km3 basaltlava kwamen grote hoeveelheden fluorwaterstofzuur en zwaveldioxide vrij. Op IJsland ging de helft van het vee en een kwart van de bevolking dood. De lavastof en zure regen leidden mondiaal tot een dip in de temperatuur, mislukte oogsten in Europa en droogte elders. Laki heeft misschien wel zes miljoen slachtoffers geëist, een wereldrecord. Vandaag houdt Laki zich koest.

Dag 20: Blágil > Kirkjubaejarklaustur (44 km)

Sinds gisteravond regent het onafgebroken. Het gebied tussen Kurkyousomething, Laki, Landmannalaugar en Vík is misschien wel IJsland’s natste plek. Vandaar dat het hier overal zo mooi groen is. Maar dát zie je dan weer niet door de mist... Hoe dan ook, we hebben het op IJsland nog niet eerder zo nat meegemaakt. Alle bandensporen zijn gevuld met water en we rijden op goed geluk door tien meter lange plassen. De camping in Kurkyousomething is prima. We eten heerlijk mals lamsvlees met gebakken krieltjes.

Dag 21: Kirkjubaejarklaustur > Reykjavík (bus) & Reykjavík > Hafnarfjördur (14 km)

Voor de vierde en laatste keer smokkelen we met de bus. De chauffeur spoort niet helemaal. Hij roept de hele tijd dingen over toeristische plekken naar ons en een Duits echtpaar naast ons. In het IJslands, want hij beheerst geen Engels. Hij rijdt bovendien te hard, gaat slecht met fietsen om en maakt voortdurend onsmakelijke geluiden. Opgelucht stappen we in Reykjavík uit bij de stadscamping, en fietsen snel door naar de fijne camping in Hafnarfjördur.

Dag 22: Hafnarfjördur > Kevlavík (82 km)

We mijden de saaie [41] en nemen een alternatieve route via Grindavík. De [42] brengt ons in Sveifluháls, een van de actieve vulkanische gebieden op het zuidwestelijke schiereiland. We bezoeken Krýsuvíkur waar we modder zien bloppen omringd door vreemde kleuren, en waar stoom tussen de lavastenen naar boven komt. Het lijkt hier wel een beetje op Hverir bij Myvatn. We pakken een nieuwe weg langs de zuidkust naar Grindavík, en met een hamburger in de buik trotseren we de straffe noordenwind op de laatste 20 km naar Kevlavík.

Dag 23: Vliegtuig Nederland

Na een prima overnachting in een eenkamerhuisje op het terrein van Alex vertrekken we om kwart over vijf naar de luchthaven. Een uur later staan we in de rij. Een erg lange en slome rij, want de meeste vluchten heeft men ’s ochtends vroeg gepland. Na nog een uur zijn we eindelijk ingecheckt. We zijn maar net op tijd voor het boarden. Op Schiphol wachten Marieke en Loes ons op en drinken we een biertje op de geslaagde vakantie!

Nawoord

Na drie IJslandvakanties maak ik voor mijzelf de balans op. Ik vind het gebied tussen de Hekla, Eyjafjallajökull, Mýrdalsjökull, Lándmannahellir en Laki het allermooist. Zoveel afwisseling tussen groen bemoste heuvels, lavavelden, ijskappen, canyons en meanderende rivieren zie je nergens anders op IJsland, en misschien wel niet wereldwijd. Askja, Lónsörafi, Kerlingarfjöll en de oostkust kunnen er goed mee door, evenals het ijsmeer Jökullsárlón – zolang je de drukte weet te omzeilen. Daarentegen zijn de doorgaande onverharde routes Kjolur, Sprengissandur en F26 ten oosten van Askja eentonig, en de wegen in het zuidwesten zijn breed en druk. De bus biedt dan uitkomst.