gototopgototop

Oostenrijk & Italië (2010)

Ter voorbereiding op de Marmotte fiets ik in juni 2010 in Oostenrijk en Italië. Met hoogtepunten (Klammljoch, uitzichten op Dolomieten, enthousiaste Italiaanse wielrenners, dertien toppen) en dieptepunten (motorrijders, zweetvliegen). Ik fiets in negen dagen 800 km en 16.000 hoogtemeters.

Dag 1: Innsbruck > Wald im Pinzgau (108 km)

In de nachttrein naar München zit een vrouw in de coupe uit Ulm die voor het eerst alleen op reis is (ze is in de vijftig) en zich overal zorgen om maakt. Ben blij als ze raus geht. In München pak ik de supertrage Regiobahn naar Innsbruck. Het uitzicht in Beieren voorspelt niet veel goeds: laaghangende bewolking en motregen. Tegen twaalven kom ik Innsbruck aan. Ik moet daar even zoeken naar de Innradweg naar het oosten. Gelukkig wijst een aardige man mij de weg, hij blijkt twintig jaar geleden van Oostenrijk naar Sicilië te hebben gefietst. Bij Wiesing sla ik rechtsaf, het Zillertal in. De doorgaande weg is een stuk drukker dan ik had verwacht, gelukkig kan ik grotendeels over dorpswegen en landweggetjes richting Zell am Ziller rijden. Het Zillertal is overigens niet mooi. De toeristenindustrie viert hier hoogtij, met Familienhotels met binnenzwembad en reuzenglijbaan buitenom en andere grote chalets voor de wintersport en ‘actief in de zomer’. Heel commercieel allemaal.

Het stuk van Zell am Ziller naar de Gerlospass is breed en supersaai. Eerst 400 m klimmen tegen 7 tot 8%, dan vals plat naar Gerlos, en daarna weer 8% omhoog naar een skigebied. Deels in regenpak. Het motiveert niet echt dat ik niks van de omgeving kan zien. Vanaf 1.300 m ligt er al sneeuw. Bovenop de pas (1.620 m) is het slechts 3 °C. Na een 18 km lange, ijskoude afdaling zie ik een camping aan mijn linkerzijde. Bibberend arriveer ik bij de receptie. De vriendelijke campingmevrouw moet toch wel lachen om het hoopje ellende dat voor haar staat. Eerst even douchen en warm worden. Het begint al te schemeren als ik met een bord vol spaghetti in mijn nieuwe tentje zit. Die tent, een Hubba Hubba HP 1, is twee maal zo klein als wat ik gewend ben. Maar hij bevalt uitstekend.

Dag 2: Wald im Pinzgau > Lienz (92 km)

De eerste 25 km fiets ik in de motregen, daarna kan het regenjack uitblijven. De Tauernradweg is tot Mittersill niet echt gunstig aangelegd, maar de Bundesstrasse is erg druk en ze rijden er hard, dus ik heb weinig keus. Ik haal broodjes bij de lokale Spar van Mittersil waar veel verveelde schooljeugd rondhangt. Na nog eens dik 25 km kom ik bij Bruck aan. Daar moet ik volgens planning de Hochalpenstrasse nemen. Ik heb lange tijd naar deze col uitgezien: met 14 km lang 10% gemiddeld is dit één van Europa’s moeilijkste paswegen, lastiger dan de bekendere Tourmalet, Stelvio, Galibier of Timmelsjoch. Een hele kluif met bepakking, en de omstandigheden moeten optimaal zijn. Maar vandaag is het zwaar bewolkt en er ligt vanaf een meter of 1.400 sneeuw. Ik denk eerlijk gezegd dat de pas gesloten is. Maar zelfs als dat niet zo is, dan lijkt mij niet verstandig om urenlang in de vrieskou te fietsen gevolgd door een lange afdaling met verkleumde vingers... dat is vragen om ellende.

Ik besluit rechtdoor te fietsen en een eind verderop de trein naar het zuiden te nemen. En dat pakt best aardig uit. De Tauernradweg gaat vanaf Bruck over kleine landweggetjes, heel gevarieerd en soms erg steil. Terwijl ik vandaag met de stroom mee fiets, stijg ik toch meer dan 600 m. Waar ik tot nog toe door een breed dal heb gefietst, komen de bergwanden nu dicht bij elkaar. Bundesstrasse, de lokale weg, de spoorbaan en de rivier wurmen zich door het nauwe dal. Beneden in de diepte zie ik groepjes raften. In Schwarzbach aangekomen zoek ik op het station informatie over de treinreis naar het zuiden. Maar er hangt geen overzichtskaart en loketten zijn gesloten. Handig. Ik koop een kaartje naar Lienz via Spittal, en verruil het slechte weer aan de noordzijde van het Tauerngebergte voor het prachtige weer aan de andere kant. Laat op de camping aangekomen kom ik geld tekort voor een kampeerplek, maar de aardige dame vindt dat geen probleem. Onder het gerenoveerde landhuis is super-de-luxe sanitair met in Duits gecoverde Sky Radio muziek tijdens het douchen. Ik voel me helemaal thuis.

Dag 3: Lienz > San Lorenzo di Sebato (82 km)

Overal in Europa zijn Nederlandse pensionado’s met de caravan op pad. Zo ook in Lienz. De meesten staan er ietwat verveeld op zo’n camping. Koppels hebben elkaar niets meer te vertellen, en de sleur wordt slechts doorbroken door tergend langzame wandelingetjes naar het toiletblok. Best triest. Als je er dan als fietser met je piepkleine tentje tussen gaat staan komen de mannen (de vrouwen blijven in de caravan) al snel langs voor een praatje. Da’s dan weer gezellig. En dan blijk je altijd wel weer een gemeenschappelijke kennis te hebben, want Nederland blijft natuurlijk een klein land.

Goed, van Lienz ga ik over een prima aangelegd fietspad langs de Bundesstrasse 108 naar het noordwesten. Er staat een keiharde tegenwind. Bij een fraaie ruïne zie ik man en vrouw met de zeis aan het werk – er kan gehooid worden. Hij vertelt dat het altijd zo hard waait als het aan de noordzijde van de Tauern regent. Ik kan het weten, want daar fietste ik gisteren nog. Bij Huben sla ik linksaf, het Defereggental in. Het is gelijk flink aanpoten met gemiddeld 10% in de eerste paar km, en daarna ook regelmatig stukken steil omhoog in tunnels en galerijen, en vanaf Mariahilf ook weer 12%, overigens afgewisseld met lange stukken vals plat. Gelukkig heb ik vanaf nu wind in de rug, dat scheelt een hoop. Het dal is vrij saai: niet spectaculair, maar ook niet verpest. Bij Erlsbach zijn de bidons leeg en vraag ik een lokalo of ik wat water mag tappen. Dat mag. Mijn vervolgvraag aan hem is of de pas die ik vandaag voor ogen heb, de onverharde Klammjoch, eigenlijk wel met de fiets te doen is. Hij antwoordt na lang nadenken bevestigend, dus ik waag het erop.

Vlak daarna vervolg ik niet langer de doorgaande weg naar de Stallersattel (2.052 m) en ga ik rechtsaf richting de Klammljoch (2.288 m). De geasfalteerde weg wordt na een tijdje kilometers erg steil, gemiddeld 10-20% gedurende enkele kilometers. Juist op het moment dat ik me afvraag of deze pas wel zo’n goede beslissing was, komt er een kleine tractor achterop met de man van wie ik net water kreeg. Hij zegt dat hij iets moet wegbrengen, wenst me veel succes en haalt me in. De weg wordt nu onverhard, maar het is goed te doen. Bij Oberhaus is een café met terras, en daar kijkt de man met de tractor of ik eraan kom. Aardige man. Ik zet hem op de foto en ik zet mijn fietstocht voort. De weg wordt wat minder van kwaliteit, maar ik kom geen moment echt in de problemen. Hier mag alleen lokaal en werkverkeer komen, en afgezien van een dozijn wandelaars, een paar mountainbikers en een enkele auto, kom ik een paar uur lang niemand tegen.

Vanaf nu is het dal bijzonder mooi, echt een aanrader. Veel groene almen en verse sneeuw. In de verte zie ik, op een onlogische plek zo afgelegen, een gehucht. De weg gaat langs de berghelling steeds hoger, en pas de laatste paar kilometers wordt duidelijk waar de col is. Ik ben pas om 18.00 uur boven. Het is hier helemaal verlaten. Ik heb een prachtig uitzicht op de Italiaanse zijde, met dreigende wolken in het avondlicht.

Omlaag is het onverharde pad met vele haarspeldbochten goed van kwaliteit, alleen word ik helemaal gek van de goten die ze om de 30 m hebben gegraven. Bij het fraai gelegen Knutten-Alm zie ik weer asfalt. Na Rein in Taufers stort ik mij in een zeer steile afdaling langs de woeste bergbeek; de beklimming van de Klammljoch is aan deze zijde zeker geen eitje. Vanaf Campo naar Bruneck is het voornamelijk vals plat omlaag tussen druk verkeer. In Bruneck vind ik geen camping, gelukkig biedt Google op de telefoon uitkomst: ik kan terecht in het nabijgelegen San Lorenzo. Daar vind ik een saaie maar verder prima plek. Wederom eet ik mijn maal in het halfdonker. Het was een mooie dag.

Dag 4: San Lorenzo di Sebato > Cortina (94 km)

Na een bezoek aan de megagrote Spar van Bruneck fiets ik door het oude centrum naar het oosten op zoek naar de fietsroute. Die is eenvoudig gevonden, en uitstekend aangelegd. Deels onverhard langs de rivier, deels over smalle landbouwweggetjes. Het is vaak vals plat omhoog, met soms een flinke klim. Ergens ontbreekt een bordje, waardoor ik 100 m voor niets in de hoogte fiets, maar er zijn ergere dingen. Zoals zweetvliegen. Die doen, zodra ik vanaf Prags naar de Platzwiesen fiets, een aanval op mijn tot dan toe goede humeur. Het is warm en windstil, en als die krengen dan een mens ruiken die langzaam en zwetend voorbij fietst, dan slaan ze toe. Tientallen vliegen proberen een plekje op mijn lijf te bemachtigen, en de rest blijft om me heen zwermen. Als ik achterom kijk zie ik er nog veel meer. Vanaf 15 km per uur kan ik ze voor blijven, maar pas vanaf 20 km per uur haken ze na een paar honderd meter af.

Bij Brücken is de plek afgesloten voor doorgaand verkeer; alleen bussen en fietsers mogen de laatste 6 km naar Platzwiesen. Het eerste stuk door het bos is vrij saai zo door het bos zonder uitzicht. De laatste anderhalve kilometer tot de 2.040 m hoge top is megasteil. Het is prachtig hierboven. Groene almen met uitzicht op markante Dolomietentoppen trekken veel dagjesmensen aan. Nog even een grote cola bij een bergrestaurant en begin ik aan de afdaling. Het asfalt is inmiddels opgehouden, en ik ga verder over een niet al te beste weg: 25% is geasfalteerd, 10% prima onverhard en de resterende 65% is bagger. Kortom, ik stuiter van de berg en krijg kramp in mijn handen van het remmen.

Vanaf Schluderbach (1.430 m) ga ik over een brede weg verder naar Misurina. Ik kom onderwijl in het Italiaanssprekende deel. De 300 m hoogteverschil overbrug ik vrij gemakkelijk, al voel ik af en toe krampjes opkomen in mijn linker bovenbeen. Het zat wel van de zenuwen komen, want zo direct wacht de loodzware beklimming naar Tre Cime: 7 km lang waarvan tweederde tussen de 10 en 15% gemiddeld. Normaal al vrij lastig, maar met 1.700 m in de benen helemaal. Aan de voet van de klim stal ik mijn voor- en achtertassen bij een huis en ga rustig peddelend op weg. Het is een mooi aangelegde tolweg, met veel ruime haarspeldbochten, die soms extreem steil zijn (tot 20%!). Bovengekomen geniet ik op 2.333 m van één van de mooiste uitzichten van de Alpen. Ik zie veel markante bergen. Het grappige is dat je in Wallis ook wel vergelijkbaar mooie panorama’s hebt, maar daar zijn de bergen dan ook een kilometer hoger.

Dan naar beneden, de Passo tre Croci over. Het is slechts 150 m klimmen, maar erg soepel gaat het niet meer. Er volgt een eenvoudige afdaling naar Cortina. Het is zoals wel vaker in Italië lastig om de camping te vinden; de lokale hotellobby heeft klaarblijkelijk alle bordjes naar campings buiten het centrum weten te houden. Gelukkig is daar weer Google op de telefoon en voilà, de camping is gelokaliseerd. Camping Rocchetta is een echt fijne camping, met volop beschutting, veel tenten en weinig caravans, prettige muziek (blues, Bruce Springsteen) in het sanitairgebouw en een heel aardige campingbaas. Ik kan tevreden zijn over deze dag: ik heb een mooie route met prachtige vergezichten gefietst en heb mijn fietsvakantiehoogtemeterdagrecord verbroken.

Dag 5: Cortina > Bellamonte (84 km)

Ik pak de drukke R48 naar het westen en kom met een prima tempo bij de afslag naar de Passo di Giau. Op de Michelinkaart is deze pasweg aanlokkelijk smal ingetekend, in werkelijkheid is het een brede weg. Wel goed aangelegd en met vele bochten. Helaas zie ik weinig van de omgeving tussen alle bomen. Dat is het nadeel van de relatief laaggelegen passen in de Dolomieten. Wat uitzicht betreft kun je beter de hoge cols in de Franse Alpen fietsen. Dat neemt niet weg dat de pas steil is, met 640 m hoogteverschil in de laatste 7,5 km.

Bovengekomen (2.233 m) is het een waar motormekka: een verzamelplek voor de talrijke Duitse en enkele Oostenrijkse en Italiaanse motorrijders. Ik zit een tijdje op een halfleeg terras te wachten, maar de bediening geeft vanmiddag niet thuis. Dat zal wel het befaamde Italiaanse arbeidsethos zijn. Dan maar zonder cola naar beneden. Wat een superafdaling zeg! Tot aan Caprila tel ik meer dan 35 haarspeldbochten. Het vals plat omlaag naar Cancenighe Agordino (773 m) is lastig want er staat een keiharde zuidenwind. Ik krijg last van hongerklop en besluit bij het mooie meer bij Alleghe mijn laatste broodjes op te eten.

Ik haal nog een blik cola in een café en sla rechtsaf de weg in naar Falcade. Deze vallei is niet bijzonder, een enkele doorkijk naar een mooi zijdal daargelaten. Bij Cavida is de weg heel steil, evenals het stuk na Falcade. De weg naar de Passo di Valles is ook behoorlijk klimmen, vrij constant tegen de 10%. Gecombineerd met de lange rechte stukken, het gebrek aan uitzicht en wind, en de nog steeds hoge temperatuur is het best afzien. Ik ben dan ook blij als ik boven ben. Geen spectaculaire uitzichten hier. Ik zou volgens plan in de afdaling een détour naar de Passo di Rolle hebben willen inslaan, waar de weg langs één van de mooiste bergen (Pale di San Martino) van de Dolomieten voert. Maar het is gewoonweg te laat om nog eens 300 m onverhard te klimmen. Jammer, die bewaar ik voor later. Ik daal snel af naar de mooi gelegen en van vele muggen vergeven camping van Bellamonte.

Dag 6: Bellamonte > Weissenbach (111 km)

Even wat boodschapjes doen bij de Coöp en dan afdalen naar Predazzo (1.018 m). Er staat onderweg een lange file aan weerszijden vanwege wegherstelwerkzaamheden, maar met de fiets mag je er dan gewoon langs. In Predazzo ga ik pinnen. De filiaalhouder komt naar me toe, wijst naar de fiets en vraagt of het een auto is. Ik antwoord “Geen van beide, het is een tank.” Hij kan zich niet voorstellen dat ik met bepakking door de bergen trek.

Wat volgt is een prima fietspad naar Moena. Daarna ga ik over de gewone weg verder. Een groepje hartelijke Italianen uit Napels komt langszij en ik kan ze kilometers lang bijhouden. Bij Pozza sla ik linksaf naar de Karerpass. Dit is een supersaaie weg, met af en toe steile stukjes, maar al met al valt het reuze mee. Boven aan de pas (1.745 m) staan vele hotels – het is hier een skigebied. Ik sla rechtsaf naar de Nigerpass (1.688 m). Dit is helemaal geen pas, maar vals plat omlaag. Het begin van de vrij brede weg is niet echt spannend, maar op een gegeven moment zie ik toch wel mooie bergwanden aan mijn rechthand (Rosengarten), terwijl links af en toe fraaie vergezichten zijn tot in de Oostenrijkse Alpen. De afdaling van de Nigerpass is best heftig. Het begint gelijk met 15%, halverwege in het dorp Tiers 20% en van Blumeau naar het hoofddal gaan de laatste 500 hoogtemeters er ook erg rap af.

In het dal van Brixen naar Bolzano wurmen rivier, snelweg, regionale weg, spoorbaan en fietspad zich door het af en toe smalle dal. Het fietspad is voortreffelijk. Op een gegeven moment bevind ik me zelfs in een 500 m lange tunnel met daarin alleen een geasfalteerd fietspad. In de buitenwijken van Bolzano staan en hangen kilometers lang kunstwerken van kinderen langs het fietspad. Ik word er vrolijk van. Waar ik minder vrolijk van word is de temperatuur: dik 30 °C. Ik haal in het pittoreske centrum van Bolzano liters vocht en een paar bananen bij de Spar, en ga vanaf de Rathausplatz over een smalle en bochtige weg richting naar het Valle Sarentina. De eerste helft van het langgestrekte dal is onbewoond en eigenaardig nauw, met veel netten op de rotswanden vanwege steenslag. Ik tel maar liefst 20 tunnels in de eerste 10 km. Gezien het broeierige weer ben ik eigenlijk wel blij met die tunnels.

Na de laatste tunnel gaat het Valle Sarentina over in het weidse Val di Pennes. Overal halen de boeren het hooi van het land, blijkbaar is er onweer op komst. Gelukkig blijft het vandaag droog. Er is in het gehele dal geen camping te bekennen, en ik heb na dik 100 km fietsen geen zin om te gaan wildkamperen. Daarom pak ik een goedkoop berghotel (type: vergane glorie) in Weissenbach (1.330 m) en kook op mijn kamer pasta en thee. Morgen maak ik de Penserjoch af.

Dag 7: Weissenbach > Salthaus (79 km)

Wat een luxe: een hele ontbijtzaal voor mij alleen! Ik eet veel meer dan normaal en ga om 09.00 uur van start. De Penserjoch heeft een mooi profiel: naarmate je hoger komt wordt de pas steiler: de eerste 6 km slechts 4% (lekker infietsen). Daarna 3 km 7,5% (goed te doen) en tot slot 5 km bijna 10% (toch wel afzien). Het is eigenlijk een best mooie pas, waarbij de weg lange kaarsrechte strepen door de brede groene wanden trekt. Het heeft wel wat weg van de Cime de la Bonette. Het enige storende zijn de talrijke motorrijders. Degenen die vroeg op waren rijden rustig en genieten van het landschap, terwijl de uitslapers racen alsof ze aan een wedstrijd meedoen. Het zou toch eigenlijk verboden moeten worden. Bovenop (2.215 m) vertelt een lokale racefietser en ex-motorcoureur “Vor allem die Österreichischer Motorfahrer sind schlimm”.

De afdaling is lang, bochtig en erg leuk om te doen. Ik rijd helaas lange tijd achter een slecht rijdende Italiaan in een BMW die bochten nogal scherp aansnijdt, hetgeen meerdere keren bijna tot aanrijdingen met tegemoet komend verkeer leidt. Maar hij schijnt er niet van te leren. Geheugen van een goudvis. En goudvissen kunnen zoals bekend niet rijden.

Dan naar de Jauffenpass. Met gemiddeld 7,5% over 15 km is deze weg op papier niet zo lastig. Maar het wordt toch een klein drama. Het is hartstikke heet en er staat geen wind. Zweetvliegentijd dus. Ik fiets een paar uur lang met een zwerm van die krengen op en om me heen. En er is niets wat ik ertegen kan doen. Ik krijg medelijden met de arme kindertjes in Afrika die er dagelijks last van hebben. Bij sommige passen heb je dan nog wat afleiding door mooie uitzichten, maar de Jauffenpass voert op de laatste paar km na volledig door het bos. Niet voor herhaling vatbaar.

Boven (2.099 m) haal ik een cola en geniet ik van het aan de andere kant veel mooiere uitzicht. De afdaling gaat lekker totdat ik een bord ‘slecht wegdek' zie, en voor ik het weet rijd ik in een gat en ligt mijn rechter voortas eraf. Omdat er een auto vlak achter me rijdt had dit slecht kunnen aflopen. Die vervloekte Ortliebtashaken ook, op IJsland was het ook al gedoe. Van de schrik bekomen vraag ik mij af waarom ze wel de moeite nemen om zo’n bord te plaatsen maar niet om de weg te herstellen. De camping in Saltaus (335 m) is op de website vele malen aantrekkelijker dan in werkelijkheid. Stroken gras en grindweg wisselen elkaar af, en er is nauwelijks schaduw.

Dag 8: Salthaus > Umhausen (86 km)

Ik ben van nature zeker geen ochtendmens, maar vandaag gaat de wekker toch om 06.30 uur af. Na de slechte ervaring met de hitte op de Jauffenpass heb ik besloten dat het beter is om de bosrijke stukken weg van de Timmelsjoch in de ochtend af te leggen. Om 07.15 uur fiets ik weg en een uur later ontbijt ik in St. Leonhard. De multitarwebroodjes die ik gisteren bij de Spar heb gekocht vallen als een baksteen om mijn nuchtere maag. Die koop ik dus nooit weer.

Tot Moos was het een relatief eenvoudige klim, maar vanuit het dorpje is het raak. Via een serie haarspeldbochten en steile stukken weg (soms 10 tot 15%) kom ik al snel een paar honderd meter hoger. Daarna gaat de weg gedurende 5 km weer wat vlakker (7 tot 8%) en door een aantal tunneltjes noordwaarts. Op enkele huizen langs de weg en een dorpje beneden in de diepte is het mooie dal vrijwel onbewoond. Helemaal in de verte kan ik al de top van de Timmelsjoch zien, al is dat nog meer dan 15 km fietsen.  Na Corvara wordt de weg wat makkelijker, even bijkomen. Regelmatig halen Itialiaanse wielrenners me in, wijzen naar de fietstassen en roepen “Ciao” of zelfs “Complimenti”. Op een gegeven moment wil één wielrenner zelfs met mij op de foto. Ik vind dat zo leuk! Heel wat anders dan die norse Zwitsers en Oostenrijkers.

Zo’n 8 km van de top komt het dal als het ware in een T-splitsing. De hoofdweg buigt naar links en wordt gemeen steil: 11% gedurende 2 km, en na een stukje vals plat nog eens 3 km lang 10% gemiddeld. Best zwaar. Wat echter sterk motiveert is de mooi aangelegde weg: deze is heel smal en kent vele haakse haarspeldbochten. Een beetje zoals de klassieke oostzijde van de Stelvio. Er mogen geen bussen komen. Een dame op racefiets komt langszij (“Respect!”) en maakt een praatje. Ik krijg inmiddels last van mijn buik, komt zeker door die biobroodjes. Even doorbijten. Vanaf de donkere en natte 500 m lange tunnel bovenaan de rotswand gaat het naar de top die op de grens met Oostenrijk ligt. Aan de andere kant van de tunnel is het landschap een paar km hoogalpien. De pashoogte (2.474 m) is snel bereikt en ik daal gelijk af. Het eerste stuk gaat prima, maar dan voert de weg weer 150 m omhoog naar Hochgurgl en daar heb ik na 2 km klimmen even geen zin in.

Ik had in Sölden willen kamperen maar de camping in het vreselijke skidorp is flut. Sowieso vind ik het bovenste deel van het Ötztal een verschrikking met al die skidorpen, liften en wegen. Ik fiets verder door het veel mooiere middengedeelte van het dal. Het is vals plat omlaag maar ik schiet door de harde noordenwind nauwelijks op. Uiteindelijk zet ik 25 km na Sölden mijn tent op in Umhausen. Ik vind dat ik het wel verdiend heb om niet te koken en bestel Wiener Schnitzel met friet. En een groot glas bier natuurlijk.

Dag 9: Umhausen > Innsbruck (65 km)

Net als in de afgelopen week is het stralend weer als ik op de fiets stap. Even wat brood en drinken halen bij de lokale M-Preis en op naar het plaatsje Ötz. De pasweg naar Kühtai begint met 10% en voert met enkele bochten door bebouwing langs de bergwand omhoog. Daarna gaat de  weg langs een bergbeek door een groen dal naar het oosten. Het is erg benauwd vandaag, alleen de bergbeek geeft af en toe wat verkoeling. De helling is onregelmatig: soms 5% dan weer stukjes 10-13%. Halverwege de pas in Ochsengartenwald bestel ik een grote cola. Dat geeft de broodnodige energie, hierna hoef ik nauwelijks meer de stoppen. Zelfs het stuk van 800 m tegen 15% gemiddeld fiets ik rustig door. Ze zijn bij dat steile stuk aan het werk, en ik zeg tegen de bouwvakkers dat ze hun werk niet goed doen want de weg is veel te steil. Het antwoord: “Doch, das ist für die Radfahrer zum trainieren.” Daar is geen speld tussen te krijgen.

Na nog een paar klimmetjes en een stuwmeertje bereik ik de pashoogte (2.017 m). Tot nog toe was het weinig spannende dal nauwelijks bewoond, op wat loslopende koeien en paarden na. Hierboven echter moet ik toch echt even slikken: een overmaat van bijzonder lelijke skihotels (type Frans skidorp) verpest de omgeving. Ik maak dat ik hier weg kom. De noordoostzijde van de pas is volgens het hoogteprofiel eenvoudiger dan de westzijde, maar toch moet ik regelmatig stevig in de remmen.

In het dal van de Inn aangekomen is het nog een kilometer of tien naar Innsbruck. Eigenlijk wil ik nog even douchen voordat ik de trein in stap. Maar als ik in het plaatsje Völs aan de campingeigenaar (tevens eigenaar van een Porche Cayenne) vraag of ik dat tegen betaling mag, weigert hij: “Es ist leider nicht möglich, nur fur Gäste die zwei, drei Tagen bleiben. Wir sind eine Familiencamping und haben in den letzten 50 Jahr noch niemand nur zu duschen gehabt. Est ist nichts persönliches. Gute Reise. Und viel glück mit dem Holländischen Mannschaft” (WK Voetbal 2010). Wat een fascist zeg, en wat voor hypocriete manier om te zeggen dat-ie mijn soort niet wil. Anyway, de klok tikt door en ik fiets daarom naar Innsbruck waar ik me op het stationstoilet een beetje opfris. Wat rest is de boemel naar München en de nachttrein met te klein ‘bed’ naar Nederland.

Statistieken

- Dag 1: Innsbruck > Wald im Pinzgau (108 km / 1.150 hm)
- Dag 2: Wald im Pinzgau > Lienz (92 km / 620 hm excl. trein)
- Dag 3: Lienz > San Lorenzo di Sebato (82km / 1.785hm)
- Dag 4: San Lorenzo di Sebato > Cortina (94 km / 2.585 hm)
- Dag 5: Cortina > Bellamonte (84km / 2.441 hm)
- Dag 6: Bellamonte > Weissenbach (111 km / 1.952 hm)
- Dag 7: Weissenbach > Salthaus (79 km / 2.013 hm)
- Dag 8: Salthaus > Umhausen (86 km / 2.200 hm)
- Dag 9: Umhausen > Innsbruck (65 km / 1.233 hm)

Epiloog

Net een dag thuis uit de Dolomieten rij ik met de auto naar de camping in Bourg-Oisons aan de voet van de Alpe d'Huez. Ik ben daar om de Marmotte te rijden, een wielerkoers van 176 km over de Glandon, Telegraphe, Galibier en L'Alpe d'Huez. Ik fiets een dag naar de Croix-Fer, en neem aansluitend een rustdag. Verdere training is onzin na de fietsvakantie.

Op zaterdag 3 juli is het zover. Ik start iets voor 08.00 uur en ben na tien uur en 40 minuten (netto tijd exclusief afdaling Glandon) bij de finish. Net tien minuten te weinig voor zilver, maar ik heb het gehaald, en dat was mijn streven.

De tocht zelf is mooi maar met de hoge temperatuur ook erg inspannend. Lange tijd gaat alles prima. Ik word vaak ingehaald maar blijf ook veel anderen voor, zeker bij de steilere stukken. Pas bij de voet van L'Alpe d'Huez komt de man met de hamer. Misselijkheid slaat toe en de pijp gaat helemaal leeg. Met hangen en wurgen kom ik pas na twee uur boven. Gelukkig zonder kramp, zonder over te geven en zonder te lopen. Achteraf gezien had ik minder moeten vertrouwen op de povere bevoorrading door de organisatie en zelf croissants en bananen moeten meenemen. Dan had ik mijn energie beter kunnen verdelen.

In de laatste kilometers neem ik mij stellig voor dat dit de enige en laatste keer is dat ik aan zoiets belachelijks mee doe. Maar op de terugreis naar Nederland plan ik de Marmotte alvast in voor 2012. En dan doe ik er zeker een uur korter over!