gototopgototop

Zwitserland, Frankrijk & Italië (2008)

Dit is het verslag van de Tour de Nivolet, mijn fietstocht in 2009 in het drielandengebied van Zwitserland, Frankrijk en Italië. De reis levert naast negen cols een interessante off-road detour op. Ik fiets in zeven dagen tijd 600 km en 12.700 hoogtemeters.

Proloog

Als kind zag ik al het Nationale Park Gran Paradiso op de landkaart: al die kleine dalen leidend naar de trots van Italië. En een heel hoge pas, de Colle del Nivolet, met maar aan één kant een weg geschikt voor autoverkeer. Daar moest ik ooit nog eens naar toe. Vorig jaar keek ik op de kaart of ik een leuk rondje kon maken in de Alpen en google op “Nivolet”. Wat bleek: ene Jerry Nilson uit Zweden was over deze pas gefietst. Dit maakte mij nieuwsgierig, ik rook kansen. Ik mailde hem een vraag over de Nivolet, en kreeg als antwoord:

“Hi Willem,

(…) it would be easy to just go right soon after the Refugio-shop where the asphalt ends and simply walk down the path along the little stream. You will probably not be able to cycle more than 200-300 m or so down this vague track, which soon turns into paths. I think you get over on the right side of the stream and try not get too far off from it – many confusing paths down there – but as long as you seem to go in a somewhat straight line ahead it should take you down to the cross and the serpentine path down to Pont. The serpentine path is wide and good, but I still managed to fall headlessly down the steep side (no good with cycling shoes). The walking takes you three hours at normal speed without stopping down to Pon, a bit longer than one would suspect looking at the maps and even while being there, but it is some way down. If you have heavy packaging it might take a bit longer. Hope you will have nice weather and a nice trip!

Jerry Nilson”

En zo ging ik op weg…

Dag 1: Martigny > St Gervais-les-Bains (80 km)

Gisteren heb ik voor het eerst sinds Interrail ’92 weer eens een nachttrein gepakt. Niet zo goedkoop als ik aanvankelijk had gedacht, maar het is uitstekend bevallen. Veel beter dan de fietsbus in elk geval, want ik heb prima geslapen. Om 06.45 uur moet ik overstappen in Basel. Vanaf het meer van Geneve zit ik in een wagon met een stuk of twaalf Japanse toeristen die werkelijk van elke zucht en scheet een foto maken. De conducteur vertelt me voor de vorm dat het complete treinstel eigenlijk gereserveerd is door de groep, maar doet verder niet moeilijk over mijn aanwezigheid. We kletsen gezellig over zijn mooie huis bij Montey.

Ik fiets om 11.15 uur uit Martigny. Na een paar kilometer is het rechtsaf de Col de la Forclaz op, een niet erg spectaculaire weg tussen de wijnranken. Naar de pashoogte is het weliswaar ‘slechts’ één kilometer klimmen, maar wel 13 km lang 8% gemiddeld. Vooral door de temperatuur – 30 °C in de schaduw en meer dan 40 °C in de zon – wordt het een zware beproeving. Van begin tot einde is er nauwelijks schaduw en ondanks zonnebril en pet krijg ik al snel barstende koppijn. Net als op baaldagen tijdens eerdere Alpenfietsvakanties neem ik me voor dat dit de laatste maal is dat ik hier voor mijn plezier met bepakking ga fietsen. Boven gekomen (1.526 m) trakteer ik me zoals gebruikelijk op een cola. Dan kort afdalen naar Frankrijk waar de Col des Montets wacht. Het is hier eigenlijk best mooi, niet zo aangeharkt als in Zwitserland. Bovenop de col (1.461 m) zie ik in de verte een slagroomtoef: dat moet de Mont Blanc zijn!

De afdaling is eenvoudig, met aan de linkerzijde het imposante Mont Blanc massief met al zijn steile bergkammen en gletsjers. Argentières en vooral Chamonix zijn vreselijke oorden met veel Amerikaanse toeristen. Na Chamonix begint een vierbaans autoweg die overgaat in een snelweg. Gelukkig vind ik een bordje ‘fietsroute’ en volg een secundaire weg, een volgend bordje zie ik nergens. Fraai! Anderhalf uur lang volg ik kleine weggetjes tegen berghellingen op, en maak zo onbedoeld een paar honderd hoogtemeters meer dan gepland. Door de zon voel ik mijn hamstrings trekken; ik rij op een gegeven moment zo langzaam dat ik word ingehaald door een wegskiër. Ik hoop maar dat niemand mij verder ziet… Gelukkig is daar eindelijk de weg naar St Gervais-les-Bains. De beklimming naar dit wintersportoord is niet moeilijk. Ook als blijkt dat de camping 3 km bergop en uit de route is, kan me dat niet schelen, want ik haal het tenminste. De aardige campingmevrouw vertelt me dat het erg warm is voor deze wat hoger gelegen regio, overdag tussen de 30 en 35 °C. Nog even instant bami eten en vleermuizen kijken voor het donker wordt.

Dag 2: St Gervais-les-Bains > Bourg-St Maurice (96 km)

St Gervais is een aardige plaats, het doet wat mondain aan. Het een paar honderd meer hoger gelegen Mégève is een zielloos skidorp met als positief punt de grote supermarkt waar ik mijn ontbijt haal. De rit vanaf Mégève zag er op de kaart mooi uit, zo langs een rivier, maar blijkt in werkelijkheid vrij saai. Ik ben blij als ik linksaf kan, de weg naar de Col de Saisies. Het is gelijk flink stijgen, maar dankzij het bos doet het niet zo zwaar aan. Landschappelijk valt er weinig te genieten op deze weg: alles in dit dal is gericht op skiën. Zelfs bovenop de berg (1.650 m) zijn skipistes, sleepliften, restaurant en attracties. De Franse skigebiedplanologen kennen geen grenzen.

Genoeg getreurd, want met de afdaling met uitzicht op de Mont Blanc begint een veel mooier stuk van Frankrijk. Beneden in het gezellige Beaufort lunch ik op de stoep van de mini-Casino. Daarna start de beklimming van de Cormet de Roselend. De eerste kilometers gaan door het bos en zijn lekker koel. Maar er volgt steeds minder schaduw en het wordt wederom 30 °C . Door al het zweten heb ik een enorme aantrekkingskracht op vervelende vliegen die constant rond mijn hoofd zoemen. Op een gegeven moment ga ik een heuvelrug over en bereik ik een hooggelegen dal met stuwmeer. Het is hier prachtig! Mooi uitzicht op de bergen rondom, geen commercieel gedoe. Na een cola vervolg ik de weg, dat wil zeggen nog bijna 400 m omhoog. Het drinken in de bidons is op, ik heb al iets van 3,5 liter op. Op de pashoogte (1.926 m) eet ik nog wat broodrestjes.

De afdaling aan de oostzijde van de Roselend is fantastisch. Op een gegeven moment zie ik links en mooi uitzicht op de zuidkant van het MonBlanc-massief, maar ik heb helaas geen tijd meer voor uitstapjes. Ik fiets snel door een soort kloof met haarspeldbochten. Uiteindelijk bereik ik pas om 19.40 uur Bourg St Maurice. De winkels zijn net dicht, dus haal ik maar vette hap bij de McDonald's. Op de camping aangekomen ontmoet ik een Zwitsers echtbaar van ongeveer 50 jaar dat bepakt en al Alpencols fietst. Ik ben onder de indruk! Ik kom verder deze vakantie nauwelijks vakantiefietsers tegen, gelukkig wel vele honderden motorrijders.

Dag 3: Bourg St Maurice > Lanslebourg (82 km)

Eerst maar eens boodschappen doen bij de Intermarché. Om 09.00 uur vertrek ik richting de Col d’Iseran. De etappe naar boven verloopt in vier delen: eerst vals plat als een soort aanloop, dan 15 km 5-9% klimmen, dan door het skidorp Val d’Isere en tot slot weer een heel stuk 5-9% klimmen. Niet al te zwaar dus. De vallei is mooi. Met name aan de rechterzijde is er de witte Mont Pourri (3.779 m) die majestueus boven de beboste hellingen en weiden uitsteekt.

De pret wordt een beetje bedorven als de skistations opdoemen. Tignes een paar kilometer naar het westen, met skiliften duidelijk zichtbaar op hoge bergkammen. Het hypocriete van Frankrijk is dat de grenzen van nationale parken precies om deze veel te hoge liften heen lopen. Bouw dan de boel maar helemaal vol. Met die gedachte rijd ik Val d’Isere binnen, hetgeen inderdaad letterlijk volgebouwd is met hotels, bar/restaurants en skiliften. Ik begrijp wel dat hier brood op de plank moet komen, net als we in Nederland met de Maasvlakte en Schiphol omzet draaien, maar tijdens het fietsen moet ik toch een reden verzinnen om een beetje op te schieten. Anyway, een paar kilometer voor de top gaat het motregenen en volgt er en hagelbui met op de achtergrond gedonder. Op de top aangekomen (2.764 m) is het alweer droog. Ik wil een topfoto maken, maar de twee Duitsers die zojuist met hun oude Land Rover zijn aangekomen poseren in alle standen, en staan in de weg. Ze hebben het verdiend, zullen we maar zeggen.

De zuidzijde is zoals verwacht stukken mooier, veel ruiger vooral, en er zijn geen skiliften. Wel gaat het na Bonneval sur Arc weer onweren: links van me spookt het gigantisch, terwijl op de bergen rechts van me de zon volop schijnt, heel bijzonder. Ik moet flink doortrappen in dit langgerekte dal. In Lanslebourg vind ik een aardige, kleine camping waar ik voor 6,50 euro kan staan. Vanwege de vele muggen en vliegen moet ik de hele avond noodgedwongen in de tent blijven. Ik zie dat mijn benen en neus ondanks factor 25 flink zijn verbrand.

Dag 4: Lanslebourg > Viú (103 km)

Ik sta vandaag van ellende om 07.00 uur op: mijn linker heup. Zeker verkeerd gelegen vannacht. Ik voel me net bejaard. In de supermarkt verkopen ze geen brood. Gelukkig heb ik nog een restje van gisteren en heb ik al noodles achter mijn kiezen. De beklimming van de Mont Cenis is niet al te lastig en vrij saai: een serie langgerekte haarspeldbochten met af en toe plukjes schaduw. Bovenop de col (2.084 m) verandert het landschap. Aan de overzijde van het stuwmeer zijn prachtige bergen te zien met nog veel sneeuw op de flanken.

De afdaling is tot in de Valle di Susa prettig: Italiaanse bergwegen volgen veel meer dan in Zwitserland of Frankrijk de contouren van de berg. Dus geen saaie rechte stukken haarspeldbocht meer, maar veel slingerende wegen met na elke bocht weer een verassing. Halverwege de afdaling is de weg volkomen opengebroken, maar ik weet de fiets over grote betonblokken heen te tillen. Het laaggelegen dal van Susa naar Torino kent weinig schaduw en is heet. Ik volg de S24, een brede doorgaande weg, die dankzij de aanwezigheid van een snelweg en de siëstatijd gelukkig vrij rustig is. Dan wederom een wegafsluiting: nu hebben ze een complete brug over een woeste bergbeek weggehaald. Dan maar dwars door een weiland naar een alternatieve oversteek. Net voordat de boer met zijn koeien arriveert, duw ik de fiets onder het schrikdraad door.

Van de beklimming van de Col del Lys heb ik al een paar nachten wakker gelegen. Het hoogteprofiel dat ik van internet heb geplukt geeft onder andere 3 km lang 15% gemiddeld aan. Met dat vooruitzicht, 32 °C en het water bijna op begin ik slechtgemutst aan de beklimming. Na de eerste paar bochten door een soort villawijk zie ik tot mijn verrassing een overdekte waterbron. Wat een geluk! Even bijtanken en dan weer verder. Ik fiets al veel blijer door het bos en drink nog een grote cola op een terras voor 1,50 euro. Da’s goedkoop. Gaandeweg kom ik erachter dat van het hoogteprofiel niets klopt. De weg is weliswaar vrij steil, zo tussen de 5 en 10%, maar die 15% weg is waarschijnlijk een alternatieve MTB-route. Het moet hier in de omgeving mooi zijn, al zie ik daar niets van door alle bomen. Een kilometer voor de top gaat het regenen en hagelen. De temperatuur daalt 15 °C. Bovengekomen (1.311 m) duik ik snel een café in en trakteer ik mijzelf op nog een cola. Zodra het stopt met regenen stap ik weer op de fiets. De prachtige weg krinkelt langs de hoge heuvels en door gehuchten naar beneden.

Eenmaal in het plaatsje Viú aangekomen, haal ik boodschappen, en meld ik me bij de camping. Die blijkt er één voor stacaravans, maar ik mag nog op een schuin mollenveld staan. Het regent en zonder andere camping in de buurt rest mij niets dan hier te blijven. Als de jongen van de camping me voor die rotplek ook nog 12 euro exclusief douchemunt in rekening brengt, ontplof ik. Hij biedt meteen 10 euro aan en ik accepteer dat maar. Na een ijskoude douche (die munt deed het niet) ren ik snel door de regen naar mijn tentje waar ik een lekker maaltje ga koken.

Dag 5: Viú > Prese / Ceresole (89 km)

Ik ga pas om 9.30 uur weg. Eerst naar de gezellige dorpswinkel van Viú, een hete ruimte vol vliegen en etenswaren. Het winkelmeisje werkt keihard om de grote toeloop klanten bij te kunnen houden. Na een kwartier ben ik aan de beurt en sta snel en geheel opgewarmd weer buiten met brood. De weg naar Lanzo kronkelt zich langs heuvelwanden stroomafwaarts. Lanzo is een aardig plaatsje, met in het centrum een winkelstraat op een langgerekte heuvel, en kleine, soms overdekte steegjes en trappen. Perugia in het klein zeg maar.

Later kom ik bij Corio, waar ik het brood opeet op een pittoresk kerkplein. In een dorpje na Corio vraag ik een jongedame de weg naar Rivara. Ze wijst me de juiste richting, en blijft tot mijn verrassing met haar auto kilometers lang vlak voor me rijden tot een splitsing waar Rivara op een bord staat aangegeven. Deze ‘service excellence’ vormt een bevestiging van de behulpzaamheid en hartelijkheid van veel Italianen. Vanaf Rivara maakt de hitte - ik noteer alweer 30 °C - het fietsen weer zwaar. Er is weinig schaduw, maar gelukkig ook weinig verkeer op de uitstekende weg. Ik fiets het bosrijke en skiliftarme Valle di Locana in, de zuidelijke toegangspoort van het Parco Nazionale del Gran Paradiso. Van de Gran Paradiso (4.061 m), de hoogste geheel op Italiaans grondgebied gelegen berg, zie ik helaas niets, alleen maar wolken. Een kleine 20 km dalinwaarts trakteer ik mijzelf in Locana (613 m) op een cola en eet ik mijn tweede broodje met jam.

Dan 10km klimmen naar het 400 m hoger gelegen Noasca. Tijd voor een nog een cola en een banaan toe. Vlak na Noasca volgen vijf zeer steile (tot 15%) haarspeldbochten, maar deze manier van klimmen gaat me beter af dan al die kilometers vals plat eerder in het dal. Er volgt een 3,5 km lange tunnel, gemiddeld 5-8%, met halverwege een kilometer 10-15%. Dit gaat ook prima, al was het maar doordat het zo lekker fris is hier. Ze zouden vaker tunnels moeten aanleggen! De tunnel uitgekomen zie ik een enorme grijze stapelwolk voor me en op hetzelfde moment een afslag links naar een camping. Eén plus één is twee: ik stop ermee. De camping kan ik iedereen aanraden die een rustige plek wil op een vlak veld en genoegen neemt met koud water. Je hebt hier een fantastisch uitzicht op het Levanna-massief op de grens met Frankrijk, waarachter overigens de Col d’Iseran ligt.

Dag 6: Prese > Aosta (74 km)

De beklimming van de Colle del Nivolet is een aanrader. Eerst naar Ceresole, dat aan het begin van een lang stuwmeer is gelegen. Het is hier toeristisch op zijn Italiaans: weinig hotels, maar wel zes (!) campings, waarvan er twee vol staan met de legertenten van de scouting. Ik eet mijn ontbijt op een fijne plek aan het einde van het meer. Ik zie nergens (ski)liften. In plaats daarvan staan langs de weg omhoog grote borden met de mededeling dat de pasweg hartje zomer gesloten is voor gemotoriseerd verkeer om wandelaars en fietsers de ruimte te geven. De niet al te steile weg is smal en gevarieerd, met vaak mooi uitzicht op de afgelegde route. Jammer alleen van de vele handtastelijke rotvliegen; alleen waar veel wind staat heb ik even rust.

Vanaf het meer fiets ik in 8 km zo’n 600 m omhoog naar een kleiner stuwmeer. En daarna nog eens 400 m hoger tegen een steile wand op naar de top. Boven (2.612 m) raak ik in de stress, want er is geen pasbord. Hoe kan ik nu bewijzen dat ik hier ben geweest… Een kilometer verder naar het noorden neem ik een cola en banaan en vertrek ik met uitzicht op de Gran Paradiso richting Aosta. Wandelaars kijken mij verbaasd aan, de weg loopt immers al snel dood? Ik weet wel beter: Jerry Nilson’s e-mail heeft mij ervan overtuigd dat je over wandelpaadjes naar beneden kunt fietsen. Hij deed het in drie uur, dus dan kan ik het ook.

Het eerste stuk gaat boven verwachting soepel. Ik fiets door een hooggelegen dal waar een beek door het gras meandert. Het wandelpad blijft grotendeels aan de oostoever. Vaak moet ik wandelen, maar soms kan ik ook een paar honderd meter fietsen. Ik begrijp niet waarom die Nilson er zo lang over deed want ik schiet behoorlijk op. Ik raak in euforische stemming en bedenk dat ik op een geluksschaal van 1 tot 10 een 10 scoor. Dan het eerste heuveltje: wat manhoge rotsblokken met klauterweg omhoog en weer omlaag. Ach, dat doen we wel even. Maar dan nog één… en nog één… en zo gaat het een tijdje door. Allemaal grote keien, schuine rotsplaten en modder. Hmmm… dit is geen pretje met zo’n zwaarbeladen fiets. Maar ik houd moed, want volgens de informatie die ik van Jerry heb is het vanaf een kruis een eenvoudig pad omlaag.

Na anderhalf uur zie ik het kruis. Hoera! Nog even die heuvel op en dan… begint de ellende pas goed. Ik tuur in de diepte en zie dat een geitenpaadje zich 300 m diep naar beneden zigzagt. Ik krijg nu pas door dat die Jerry misschien wel op een cross- of racefiets was met een klein rugzakje ofzo. De komende twee uur wurm ik mijzelf en 40 kg fiets en bepakking over en tussen grote rotsblokken naar beneden. De remmen krijgen het behoorlijk te verduren want die houd ik stevig samengeknepen, behalve als ik de fiets til natuurlijk. Geregeld krijg ik het linkerpedaal in mijn rechterhiel, gelukkig val ik nergens. Ik ben zo o n z e t t e n d boos dat ik een wat oudere dame lang voor blijf, maar uiteindelijk moet ik haar voor laten gaan. Haar metgezel verklaart me voor gek, volgens hem is het niet mogelijk om met de fiets de berg af te dalen. Ja duh… Als ik door de bomen het dorpje Pont zie begint het te regenen en hoor ik de eerste donderslagen. Welkom! In Pont aangekomen blijkt dat ik er vanaf de Colle del Nivolet 3,5 uur over heb gedaan, en dat valt me dan nog mee.

Regenpak aan en snel naar beneden, hopelijk blijf ik het onweer voor. Niet dus. Het gaat zo hard regenen dat ik bijna niets meer zie. Remmen gaat lastig, de afdaling over het wandelpas heeft de remblokjes geen goed gedaan. Gelukkig bereik ik na een paar kilometer een huis met een afdak, waar ik een tijdje schuil. Het geschreeuw van de bambino’s binnen komt boven het lawaai van de regen en de bergbeek uit. Na twintig minuten ben ik verkleumd en ga ik weer op weg. Helaas begint het weer snel keihard te regenen, maar nu fiets ik toch echt door over de weg die af en toe blank staat van het water. Ondanks dichtgeknepen ogen zie ik nog wel dat dit een mooi en ongerept dal is, met kilometers lang alleen maar ruimte voor een woeste bergbeek en de kronkelende weg.

Dan eindelijk het zonnige en brede Valle d’Aosta. Via de grote weg ben ik in mum van tijd in het oude Aosta. Ik eet een toeristenmenu bij Ristorante-Pizzeria “Moderno”. Het voorgerecht, een simpele pesto pasta, gaat er goed in. Maar het hoofdgerecht, een volstrekt smakeloos en gortdroog stuk kip, is waardeloos. Gelukkig is het ijstoetje wel lekker. De camping blijkt aan de weg naar de St Bernard te liggen en kijkt over Aosta uit. Een pak melk, drie bekers thee, wat onweer ver weg en snel naar bed.

Dag 7: Aosta > Martigny (78 km)

Vandaag vroeg op, anders haal ik de trein eind van de middag in Martigny niet. Het ontbijt bestaat uit een liter melk; brood moet ik ergens onderweg scoren. Nog in Aosta (600 m) zie ik na een paar honderd meter fietsen een lifter met een ingeklapte vouwfiets. Ik roep: “Come on, cycle with me to Switzerland!” Vijf minuten later fietst hij opeens naast me! Hij heet Ingo, is Duitser, werkt in Algerije en is gisteravond met het vliegtuig naar Milaan gekomen om vervolgens via de Grote St Bernard naar Zwitserland te liften. Aan de andere kant van de tunnel heeft hij met een vriend afgesproken om te gaan klimmen. Bij gebrek aan een goede lift fietst hij kilometerslang met me op, erg knap zo met die kleine wieltjes en een oude weekendtas achterop, 300 m hoger gekomen gaat hij weer proberen te liften.

De pasweg is niet steil, en daardoor fiets ik eigenlijk wat te snel. Ik moet dat bekopen met bijna-kramp in mijn linkerbeen. Met hangen en wurgen red ik het tot Étroubles (1.264 m) waar ik brood en chocola kan kopen. Ik besluit alleen nog maar in het lichtste verzet te gaan fietsen, want ik heb geen zin in kramp met 1.200 m klimmen voor de boeg. Bij de splitsing tussen tunnelroute en de pasweg gaat het regenen. Jammer van de laaghangende bewolking, maar het is zo wel fijner fietsen dan met die hoge temperaturen. Op de oude pasweg is weinig verkeer; dat raast op de andere helling bovenlangs door een geheel overdekte autoweg. Het hoge gedeelte begint zodra de overdekte weg zich met een aanloop via een groot viaduct letterlijk in de berg boort. Hier boven zijn ze de pasweg integraal aan het renoveren. Het is een komen en gaan van bulldozers, graafmachines en werkmannen. Ook ik moet regelmatig wachten voor de stoplichten op de berg.

Na dik vijfenhalfuur fietsen ben ik eindelijk boven (2.469 m), waar het St Bernard kermisattractiegebeuren moeilijk van de grond komt in de regen en met het kwik onder de 10 °C. Zoals op elke Alpen pas ook hier Duitse Motorfahrer die na hun riesen Leistung foto’s van elkander maken. Toll! Mij rest de afdaling: het bovenste stuk is vrij steil en bevat nog haarspeldbochten, maar verder kan ik zonder bijtrappen of –remmen vele, vele kilometers op mijn gemak 50 km per uur rijden. In Martigny douche ik op de lokale camping en neem ik extra vroeg de trein naar Basel, alwaar ik om ’s avonds de trein terug naar Nederland pak.